Flexibel werken: niet altijd een recht

Geplaatst op 7 mei 2026 door mr. A. (Amanda) Cremer

Werknemers kunnen op grond van de Wet flexibel werken een verzoek indienen. Dit verzoek kan zien op aanpassing van de arbeidsduur, werktijd of arbeidsplaats. De werknemer moet minimaal 26 weken in dienst zijn. De werkgever moet het verzoek inwilligen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. Twee recente uitspraken laten zien wanneer een verzoek wel of niet slaagt.

Een verzoek dat slaagt

Een zaak bij de rechtbank Gelderland toont aan wanneer een verzoek slaagt. Twee magazijnmedewerkers van Albert Heijn verzochten om uitbreiding van hun contracturen naar 40 uur per week. Albert Heijn wees de verzoeken af. Het zou namelijk gaan om misbruik van recht. Volgens de werkgever stond er geen evenredige arbeidsprestatie tegenover de urenuitbreiding. De werknemers zouden namelijk direct aanspraak maken op de RSD-regeling, een seniorenregeling met roostervrije dagen.

De kantonrechter volgde Albert Heijn echter niet. Van misbruik van recht is sprake als de werknemer diens bevoegdheid uitoefent slechts om de werkgever te schaden. Daarvan was hier geen sprake. De werknemers moesten immers feitelijk aanzienlijk meer uren werken. Werknemer 1 moest netto 14,29 uur per week extra werken. Werknemer 2 moest netto 6,29 uur per week extra werken. Het aantal extra te werken uren woog dus zwaar.

Bovendien onderbouwde Albert Heijn het gestelde gebrek aan formatieruimte niet. De werknemers waren daarnaast bereid avond- en nachtdiensten te draaien. Het argument dat toewijzing zou leiden tot een stortvloed aan verzoeken slaagde evenmin. Ieder geval moet immers afzonderlijk worden beoordeeld. De kantonrechter wees de vorderingen van de werknemers toe, inclusief achterstallig loon en gemiste pensioenopbouw.

Een verzoek dat niet slaagt

Een andere uitkomst volgde bij de Rechtbank Overijssel. Een werknemer heeft een arbeidsovereenkomst voor 40 uur per week. Hij verzocht om een werkweek van 36 uur, verdeeld over vier dagen van negen uur. De werkgever stemde in met de vermindering van uren, maar hij weigerde werkdagen van negen uur.

De kantonrechter beoordeelde dit verzoek op grond van de Wet flexibel werken dat ook de spreiding van uren regelt. De werknemer verzoeken om een gewenste spreiding als hij daarbij een zodanig belang heeft. De werknemer onderbouwde zijn belang slechts met de wens voor een betere werk-privébalans. De werkgever onderbouwde zijn belang daarentegen wél voldoende. Hij wees op organisatorische problemen bij meerdere werknemers met negenuursdagen. Dit bracht een risico op onderbezetting met zich mee. Ook wees hij op risico’s voor productiviteit en kwaliteit. Bovendien bood de werkgever concrete alternatieven aan. De kantonrechter wees de vordering van de werknemer af.

Conclusie

Beide uitspraken tonen aan dat de rechter een verzoek op grond van de Wet flexibel werken niet automatisch toewijst. Doorslaggevend is de onderbouwing van beide partijen. Een werkgever die zijn belangen onvoldoende onderbouwt, riskeert dat het verzoek alsnog wordt toegewezen. Omgekeerd geldt dat een werknemer zijn verzoek goed moet motiveren. Bovendien moet de werknemer aantonen dat het belang van de werkgever niet zwaarder weegt. Als de werknemer daar niet in slaagt, wordt diens verzoek afgewezen.

Heeft u vragen over arbeidsrechtelijke kwesties of over deze blog? Neem gerust contact op met een van onze arbeidsrechtadvocaten.

Amanda Cremer
Gepubliceerd op 7 mei 2026 door: mr. A. (Amanda) Cremer