De Hoge Raad heeft op 22 mei 2026 een belangrijk arrest gewezen over verplichte deelname aan een bedrijfstakpensioenfonds. De uitkomst: wie slechts op verwaarloosbare schaal activiteiten verricht die onder een verplichtstellingsbesluit zonder hoofdzaakcriterium vallen, hoeft niet verplicht deel te nemen aan het bijbehorende pensioenfonds.
Stel: je drijft een groothandel in schoonmaakartikelen. Je levert aan hotels, zorginstellingen en fastfoodketens. Als klanten dat willen, borduur je hun logo op werkkleding. Dat is goed voor 0,13% van je omzet.
Dan valt er een brief op de mat. Het bedrijfstakpensioenfonds voor de textielindustrie eist aansluiting. Het ging om Stichting Bedrijfstakpensioenfonds Mode-, Interieur-, Tapijt- en Textielindustrie, afgekort Bpf MITT. Met terugwerkende kracht tot 2012. Voor álle werknemers. Ook de chauffeurs, de magazijnmedewerkers en de boekhouder.
Precies dit overkwam groothandel Hazet. Vandaag trok de Hoge Raad daar een duidelijke grens.
Een verplichtstellingsbesluit bepaalt welke werkgevers verplicht moeten deelnemen aan een bedrijfstakpensioenfonds. Veel van deze besluiten bevatten een zogeheten hoofdzaakcriterium. Dat houdt in dat een werkgever alleen verplicht deelneemt als hij in hoofdzaak de betreffende activiteiten verricht.
Het verplichtstellingsbesluit van Bpf MITT bevat zo’n criterium niet. Dat leidde jarenlang tot discussie: betekent dat dan dat élke marginale activiteit tot verplichte aansluiting leidt?
De Hoge Raad maakt vandaag korte metten met die strikte uitleg. De regel is helder: een verplichtstellingsbesluit zonder hoofdzaakcriterium kent tóch een ondergrens. Wie de activiteiten die onder het verplichtstellingsbesluit vallen slechts op verwaarloosbare schaal verricht, valt niet onder de werkingssfeer.
De toets is concreet. De activiteiten die onder het verplichtstellingsbesluit vallen, worden afgezet tegen de totale activiteiten, omzet, loonsom en/of arbeidsuren in de onderneming. Is dat aandeel verwaarloosbaar? Dan geldt geen aansluitplicht.
Een uitleg zonder ondergrens leidt namelijk tot onaanvaardbare rechtsgevolgen. Bedrijven die nauwelijks iets met de textielbranche van doen hebben, worden dan toch aangemerkt als werkgever in de textielindustrie. Dat heeft de wetgever nooit bedoeld.
Dit arrest is relevant voor elke ondernemer die te maken krijgt met een aansluitingsvordering van een bedrijfstakpensioenfonds dat geen hoofdzaakcriterium heeft opgenomen in het verplichtstellingsbesluit. De kern is dat het ontbreken van een hoofdzaakcriterium in een verplichtstellingsbesluit niet automatisch betekent dat elke kleine nevenactiviteit tot verplichte aansluiting leidt. De toets is relatief: niet de absolute omvang van de activiteiten telt, maar hun verhouding tot de rest van het bedrijf. Daarbij kijkt de rechter naar de activiteiten, omzet, loonsom en/of arbeidsuren in onderlinge samenhang. De lat ligt wel hoog — alleen in het geval sprake is van verwaarloosbare activiteiten valt de onderneming vallen buiten de werkingssfeer.
De Hoge Raad geeft zelf nog geen eindoordeel. De zaak gaat terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Dat hof beoordeelt of Hazets activiteiten daadwerkelijk verwaarloosbaar zijn. Aangezien de betreffende activiteiten slechts 0,13 % van de omzet uitmaken en slechts 6 van de 90 werknemers zich hiermee bezighouden lijkt de uitkomst voorspelbaar.
Dit arrest geeft eindelijk duidelijkheid in een discussie die al jaren speelt. Loopt u zelf aan tegen een aansluitingsvordering van een bedrijfstakpensioenfonds? Of twijfelt u of uw onderneming onder een verplichtstellingsbesluit valt? Neem dan contact op met een van onze arbeidsrechtadvocaten, zij helpen u graag!