De Hoge Raad heeft op 21 november 2025 een belangrijk arrest gewezen over langdurige inleen van uitzendkrachten. Daarmee zet de Hoge Raad een duidelijk kader voor werkgevers die jarenlang gebruik maken van uitzendconstructies zonder concreet te onderbouwen waarom geen arbeidsovereenkomst wordt aangeboden.
Kort gezegd maakt dit arrest duidelijk dat “tijdelijk” niet eindeloos kan duren.
In deze zaak werkte een werknemer sinds 2009 onafgebroken bij dezelfde onderneming. Formeel deed hij dat via een uitzendbureau, maar feitelijk veranderde zijn positie nauwelijks. Eerst was hij werkzaam via Randstad, daarna via Adecco en vervolgens opnieuw via Randstad. Zijn werkzaamheden bleven echter ongewijzigd. Hij vervulde structureel dezelfde functie op dezelfde locatie.
Toen de onderneming besloot de fabriek te sluiten, kwamen uitsluitend werknemers met een arbeidsovereenkomst in aanmerking voor het sociaal plan. Daarentegen viel de uitzendkracht buiten de regeling.
De werknemer stelde dat hij materieel bezien geen uitzendkracht meer was. Volgens hem was feitelijk al jaren sprake van een vaste arbeidsrelatie met de inlener. Om die reden meende hij recht te hebben op toepassing van het sociaal plan.
Het gerechtshof wees zijn verzoek af en oordeelde dat de werkgever voldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van legitieme inzet in een flexibele schil.
Vervolgens vernietigde de Hoge Raad die uitspraak.
Uitgangspunt is dat uitzendarbeid tijdelijk van aard moet zijn. Dat volgt uit de Uitzendrichtlijn en de Nederlandse implementatie daarvan in de Waadi. Daarnaast verplicht de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU lidstaten om misbruik van uitzendconstructies te voorkomen.
Volgens de Hoge Raad is het niet voldoende om te verwijzen naar een algemene behoefte aan flexibiliteit. Met name bij een inzet van dertien jaar moet de werkgever concreet onderbouwen waarom juist deze werknemer structureel als uitzendkracht werd ingezet.
Een beroep op het bestaan van een “flexibele schil” vormt daarvoor geen toereikende verklaring. Zeker niet wanneer het steeds dezelfde werknemer betreft. In dat geval weegt de langdurige aard van de inlening zwaar en is een specifieke rechtvaardiging vereist.
De Hoge Raad overweegt daarbij dat:
Omdat die onderbouwing ontbrak, oordeelde de Hoge Raad dat het hof zijn beslissing onvoldoende had gemotiveerd. Daarom is de zaak verwezen voor verdere behandeling.
Dit arrest heeft directe gevolgen voor organisaties die langdurig met uitzendkrachten werken.
In het bijzonder zijn de volgende aandachtspunten van belang:
Kortom: hoe langer de inleen duurt, des te zwaarder de toets wordt. Een “flexibele schil” als algemeen concept biedt onvoldoende bescherming indien de feiten wijzen op duurzame inzet.
Werkgevers doen er verstandig aan om langdurige inleen juridisch te toetsen. Wacht niet tot een procedure ontstaat bij beëindiging van werkzaamheden, reorganisatie of ziekte. Juist aan het einde van een dienstverband ontstaan vaak juridische problemen. De arbeidsrechtspecialisten van VBS Advocaten kunnen u hierbij van dienst zijn. U kunt altijd contact opnemen met ons kantoor voor vragen.