Na een relatiebreuk is de gezamenlijke woning vaak het meest beladen onderwerp. Emoties, financiële belangen en de wens om snel verder te kunnen, maken dat één van de ex-partners soms naar de kortgedingrechter stapt om verkoop of verdeling af te dwingen. Een uitspraak van de Rechtbank Limburg laat zien dat die weg lang niet altijd tot het gewenste resultaat leidt.
In deze zaak hadden partijen begin 2024 samen een woning gekocht, die enkele maanden later werd geleverd. Kort na de levering kwam een einde aan hun affectieve relatie. De man bleef in de woning wonen, terwijl de vrouw elders verbleef. De situatie werd complexer toen de man een nieuwe woning kocht met een naderende leveringsdatum. Daardoor kreeg hij te maken met dubbele woonlasten.
Partijen hebben een discussie over de verdeling van de woning. Volgens de man was snelle verkoop noodzakelijk. De vrouw vond dat partijen eerst afspraken moeten maken.
De man startte een kort geding en vroeg de voorzieningenrechter om ingrijpende maatregelen. Hij wilde dat de vrouw de woning niet langer zou betreden en de sleutels zou inleveren. Daarnaast vroeg hij om een rechterlijke machtiging om de woning zelfstandig te verkopen, dan wel een veroordeling van de vrouw om volledig mee te werken aan verkoop, bezichtigingen en levering. Tot slot vorderde hij betaling van een bedrag aan voorgeschoten kosten en hypotheeklasten.
Volgens de man was sprake van spoedeisendheid, omdat hij de dubbele woonlasten niet langer kon dragen en snel duidelijkheid nodig had.
De vrouw stelde daar tegenover dat zij de woning alleen in overleg betrad en dat zij bereid was tot overleg over een structurele oplossing. Zij gaf aan dat zij zelfs het aandeel van de man zou willen overnemen. Volgens haar was een kort geding niet bedoeld om een definitieve beslissing over verkoop of verdeling te forceren. De bodemrechter dient hierover te gaan.
De voorzieningenrechter stelde voorop dat een kort geding alleen ruimte biedt voor voorlopige voorzieningen en dat daarvoor een voldoende spoedeisend belang vereist is. Dat partijen geen relatie meer hadden en dat de man dubbele woonlasten droeg, achtte de rechter onvoldoende.
Voor een machtiging tot verkoop op grond van artikel 3:174 BW moet sprake zijn van een duidelijke noodzaak, bijvoorbeeld om schulden te voldoen of een dreigende executie te voorkomen. In deze zaak had de man echter onvoldoende inzicht gegeven in zijn financiële situatie. Hij had niet concreet onderbouwd hoe hoog zijn lasten waren, wat zijn inkomsten en vermogen waren en of daadwerkelijk betalingsproblemen dreigden.
Ook het verzoek om via de kortgedingrechter feitelijk tot verdeling van de woning te komen, werd afgewezen. De rechter benadrukte dat verdeling van een gezamenlijke woning een ingrijpende en definitieve beslissing is, die in beginsel thuishoort in een bodemprocedure. Alleen bij uitzonderlijke spoed kan daarvan worden afgeweken, en die was hier niet aangetoond.
De gevorderde geldvordering strandde om dezelfde reden. Zonder aantoonbare urgentie is een geldvordering in kort geding niet toewijsbaar.
Omdat partijen voormalige levensgezellen zijn, compenseerde de voorzieningenrechter de proceskosten. Dat betekent dat ieder zijn eigen kosten moest dragen.
Deze uitspraak bevestigt dat de kortgedingrechter terughoudend is bij geschillen over de gezamenlijke woning na een relatiebreuk. Dubbele woonlasten of de wens om snel verder te kunnen, zijn op zichzelf onvoldoende om verkoop of verdeling af te dwingen. Wie deze route kiest, zal zijn financiële nood concreet en met stukken moeten onderbouwen.
Voor cliënten en hun advocaten betekent dit dat het vaak verstandiger is om eerst in te zetten op overleg, mediation of – als dat niet lukt – een bodemprocedure. Een kort geding kan effectief zijn, maar alleen wanneer de spoedeisendheid onmiskenbaar vaststaat.
Heeft u vragen over de blog of andere familierechtelijke vragen? Dan kunt u altijd contact met onze familierechtspecialisten opnemen.