Arbeidsongeval: rechter slaat wederom de plank mis…

Geplaatst op 2 maart 2022 door mr. A.J. (Anouk) Korff

In september 2021 schreef mijn collega, mr. E.W. Bosch, een blog over een kantonrechter te De Haag die de plank missloeg in een beschikking in deelgeschil omtrent een arbeidsongeval. In mijn blog bespreek ik een beschikking van een kantonrechter te Overijssel die eveneens de plank misslaat bij een arbeidsongeval.

Waar draaide het arbeidsongeval om?

Het ging in deze zaak om een werknemer die op 6 mei 2013 een arbeidsongeval doormaakte. Hij was op die bewuste dag werkzaam op het dak van een manege waar een lichtstraat moet worden aangebracht of vervangen. Daarbij was hij met een harnasgordel met een paar meter lange vallijn gekoppeld aan een in lengterichting over het dak gespannen kabel. Een aangelijnde werknemer kon het dak dus in de lengterichting gezekerd belopen. Ook had hij daarnaast een paar meter ruimte rondom zich om gezekerd te bewegen.

Op enig moment heeft de werknemer zijn vallijn losgekoppeld van de kabel. Hij neemt een paar passen naar achteren en is vervolgens door een lichtdoorlatende dakplaat heen zeven meter naar beneden gevallen. Als gevolg hiervan bekwam de medewerker letsel.

De medewerker stelt zijn werkgever aansprakelijk voor de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van het arbeidsongeval.

Hoe oordeelde de rechter over het arbeidsongeval?

Leent de zaak zich voor een deelgeschilprocedure?

De kantonrechter begint met de vraag of deze zaak zich voor een deelgeschil leent. Dat is op zichzelf een logisch begin. De werkgever meent namelijk dat de zaak zich hier niet voor leent. Dit omdat de feiten niet zouden vaststaan. De werkgever betwist de door de werknemer gestelde feiten. Dit mede vanwege de inconsistente verklaringen van de werknemer. Volgens de werkgever is nader bewijs nodig.

De medewerker ziet dit, logischerwijs, anders. De kantonrechter is het met de werknemer eens. De kantonrechter beslist dat de relevante feiten genoegzaam vaststaan. Dit gelet op de stukken en hetgeen op de zitting is besproken. Nadere bewijslevering is niet nodig. Het verweer van de werkgever wordt verworpen. De kantonrechter kan dus een beslissing nemen.

Voldeed de werkgever aan zijn zorgplicht?

Vervolgens komt de tweede vraag aan bod. Namelijk of de werkgever zich van haar zorgplicht heeft gekweten. Zoals mijn collega, mr. E.W. Bosch, eerder in zijn blog schreef, heeft de Hoge Raad een standaardarrest gewezen over deze zorgplicht:

… “Bij de beantwoording van de vraag of de werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan, moet in aanmerking worden genomen dat met de zorgplicht van de werkgever weliswaar niet wordt beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen, maar dat gelet op de ruime strekking van de zorgplicht niet snel mag worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Art. 7:658 BW vergt immers een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen, gereedschappen en kleding alsmede van de organisatie van de werkzaamheden, en vereist dat de werkgever het op de omstandigheden van het geval toegesneden toezicht houdt op behoorlijke naleving van de door hem gegeven instructies…”

(vgl. HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3519,  NJ 2015/182 m.nt. T. Hartlief (Pelowski/BTS); onderstreping door auteur)

De kantonrechter stelt vast dat de werkgever adequate maatregelen en voorzieningen heeft getroffen inzake het werken op hoogte. Dit ter voorkoming van valrisico’s. Zo zouden de risico’s als onderdeel van de RI&E in kaart gebracht zijn. Er zouden toolboxmeetings (=werkoverleggen) zijn gehouden. Tijdens deze overleggen is aandacht besteed aan de gevaren van werken op een hellend dak. Voorts zouden op het werk toegespitste risico’s zijn geïnventariseerd op meerdere momenten voorafgaand aan de werkzaamheden. Dit zou op het laatst zijn gebeurd op de dag waarop het werk startte. Bovendien zou men hebben voorzien in (technische) voorzieningen (zoals aanlijnkabels, loopplanken, harnasgordels met vallijn) en instructies hierover.

Rapportage SZW omtrent arbeidsongeval

Ook kent de kantonrechter betekenis toe aan de rapportage van de Inspectie SZW. Hieruit volgt dat de Inspectie geen boete werd opgelegd aan de werknemer. Dit hoewel aanvankelijk een overtreding van het Arbeidsomstandighedenbesluit werd geconstateerd. Zo zou uit het rapport het volgende blijken:

Uit het boeterapport is gebleken dat u de risico’s van de werkzaamheden waarbij de overtreding zich heeft voorgedaan voldoende had geïnventariseerd, een veilige werkwijze had ontwikkeld die voldeed aan de vereisten van de Arbeidsomstandighedenwetgeving, deugdelijke, voor de arbeid geschikte, arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking had gesteld en de verdere maatregelen had getroffen en dat uw werknemer adequaat was geïnstrueerd.

Tevens is gebleken dat door u adequaat werd toegezien op de naleving van gegeven instructies.

Dit betekent dat de geconstateerde overtreding van artikel 3.16, lid 5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit u in dit geval niet verwijtbaar is.

Derhalve ontbreekt de grond voor het opleggen van een boete.

De kantonrechter oordeelt op basis van deze informatie dat de werkgever zich van zijn zorgplicht heeft afgeweken. De werkgever is niet aansprakelijk. Indien het voorgaande is komen vast te staan, dan is dat oordeel te billijken.

Opzet of bewuste roekeloosheid?

Vervolgens stelt de rechter zich de vraag of de werkgever rekening had moeten houden met het loskoppelen van de vallijn door de werknemer of die handeling had moeten voorzien. Dit is bijzonder nu de kantonrechter oordeelt dat de werkgever niet aansprakelijk is. Onduidelijk is waarom nog wordt beoordeeld of sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. Deze stap had de rechter niet hoeven nemen.

Volgens de kantonrechter hoeft de werkgever geen rekening te houden met het loskoppelen van de vallijn. De kantonrechter oordeelt dat het arbeidsongeval het gevolg is van het eigen bewust roekeloos handelen. De kantonrechter overweegt:

“Het voorgaande brengt de kantonrechter tot de conclusie dat [verzoeker] willens en wetens en zich bewust van het gevaar, in een situatie waarin daarvoor niet een dringende reden bestond of haast geboden was, zijn vallijn heeft losgekoppeld. Dat heeft hij gedaan met de intentie om vrijer te kunnen werken en te bewegen.

Voor het werk was dit niet nodig en was juist het tegendeel geboden. Dit handelen moet worden aangemerkt al bewust roekeloos handelen van [verzoeker]. De gevolgen van dit handelen moeten, hoe verdrietig deze ook zijn, daarom voor zijn rekening blijven.”

De gehanteerde maatstaf is echter onjuist. Immers, de Hoge Raad heeft reeds lang geleden (HR 20 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2142, m.nt P.A. Stein (Pollemans/ Hoondert) al bepaald dat van opzet of bewust roekeloosheid alleen sprake is wanneer:

…” Indien deze zich tijdens het verrichten van zijn onmiddellijk aan het ongeval voorafgaande gedraging, te weten het naast de aanwezige beveiliging lopen, van het roekeloos karakter van die gedraging daadwerkelijk bewust zou zijn geweest.”

Dat is een andere maatstaf dan die de kantonrechter aanhoudt. Hier slaat de kantonrechter de plank dan ook mis. De kantonrechter heeft een onjuiste maatstaf aangehouden. Hierdoor heeft zij een onjuist oordeel gegeven.

Wat is er bijzonder aan deze uitspraak?

Het bijzondere aan deze uitspraak is dat de kantonrechter juridisch de plank misslaat. De kantonrechter zet een stap die niet genomen hoeft te worden. Ook hanteert  de kantonrechter vervolgens een onjuiste maatstaf. Onjuiste toepassing van de stelplicht en bewijslast kan grote gevolgen hebben. Indien het eerste oordeel van de kantonrechter juist is, dan heeft deze fout hier geen gevolgen. In een ander geval had dit echter wel gekund.

Vragen?

Hebt u vragen over een arbeidsongeval, letselschade of zoekt u een gedreven letselschadeadvocaat? Neem dan geheel vrijblijvend contact met ons op!

Anouk Korff
Gepubliceerd op 2 maart 2022 door: mr. A.J. (Anouk) Korff