Eigenaar van vakantiewoning aansprakelijk voor letselschade

Geplaatst op 25 maart 2026 door mr. T.H. (Timothy) Boerendonk

Op 4 februari 2026 deed de rechtbank Gelderland uitspraak in een deelgeschil waarbij een uitzendkracht van een stenen trap van zijn tijdelijke woning was gevallen.  Hij liep daarbij ernstig letsel op en stelde de eigenaar van de vakantiewoning (Waterparcs) aansprakelijk voor de door hem geleden letselschade. Waterparcs probeerde de aansprakelijkheid af te schuiven op de tussenliggende verhuurders. In deze blog bespreek ik de relevante elementen uit de beschikking.

Wat speelde er?

Het slachtoffer woonde tijdelijk in een vakantiewoning in Maurik, ondergebracht door zijn werkgever, uitzendorganisatie WSSD. De woning is eigendom van Waterparcs. Waterparcs verhuurde de woning aan E&E Accommodations, die de woning onderverhuurde aan uitzendorganisatie WSSD. WSSD stelde de woning vervolgens beschikbaar aan haar uitzendkrachten.

Op 3 juli 2022 valt het slachtoffer van de stenen buitentrap bij de voordeur. Hij komt daarbij op zijn rug terecht en breekt zijn rug en borstbeen.

Meerdere medebewoners verklaren dat de trap al vanaf het moment van intrek gevaarlijk was. Er zaten scheuren in de stenen, losliggende baksteentjes en er was sprake van een instabiel muurtje. Waterparcs had de woning in 2020 laten renoveren en de trap aan de straatkant gerepareerd — maar de trap bij de voordeur ongemoeid gelaten.

Wat stelde het slachtoffer?

Het slachtoffer houdt Waterparcs aansprakelijk op grond van artikel 6:174 BW, de opstalaansprakelijkheid. Dat artikel bepaalt dat de eigenaar van het bouwwerk aansprakelijk is wanneer dat niet voldoet aan de eisen die je er redelijkerwijs aan mag stellen en iemand daardoor schade lijdt.

Het slachtoffer vordert vergoeding van alle materiële schade — zoals schade door verlies van verdienvermogen en medische kosten — en smartengeld.

Wat was het verweer?

Waterparcs en diens verzekeraar Achmea voerden meerdere verweren. Achmea wees aansprakelijkheid eerder af, omdat volgens haar niet vaststond of de losliggende steen er ook al lag op de dag van de val. Daarnaast was volgens Achmea onduidelijk hoe en aan welke kant van de trap het slachtoffer was gevallen. Het was niet aangetoond dat het slachtoffer als gevolg van die ene losliggende steen ten val was gekomen.

Ook betoogde Waterparcs dat niet zij, maar E&E of WSSD aansprakelijk zou zijn als bedrijfsmatig gebruiker. Artikel 6:181 BW bepaalt namelijk dat wanneer een opstal in de uitoefening van een bedrijf wordt gebruikt, de aansprakelijkheid verschuift naar degene die dat bedrijf uitoefent. Het gebrek zou zijn ontstaan door het veelvuldige gebruik binnen de verhuuractiviteiten.

Hoe oordeelde de rechter?

De rechtbank verwerpt alle verweren. Over de toedracht is zij duidelijk: de verklaringen van het slachtoffer en een ooggetuige zijn consistent en voldoende om vast te stellen dat de val plaatsvond bij de trap nabij de voordeur.

Over de staat van de trap oordeelt de rechtbank dat die gebrekkig was — ook als je in het midden laat of er een losse steen lag. De trap was als geheel onveilig. Hij was oud, vertoonde scheuren met ongelijke en deels afgebroken treden. Het was daarom niet van belang of het slachtoffer over die ene losliggende steen was gevallen. Dat de trap pas acht maanden na het ongeval werd onderzocht en dat sindsdien mogelijke veranderingen aan de trap waren ontstaan, komt volgens de rechter volledig voor rekening van Waterparcs.

Omdat de woning bestemd was voor kortdurende verhuur aan steeds wisselende bewoners, golden bovendien hogere veiligheidseisen dan bij een gewone woning, waarbij men (op een gegeven moment) bekend mag worden geacht met de gebreken.

Ook het beroep van Waterparcs op artikel 6:181 BW slaagt volgens de rechtbank niet. Het gebrek is een gewoon bouwkundig probleem dat niets te maken heeft met de bedrijfsmatige activiteiten van E&E of WSSD. Waterparcs hield zeggenschap over de staat van het pand, was eindverantwoordelijk voor de veiligheid en had de andere buitentrap wél gerepareerd.

Aldus was de trap volgens de rechter gebrekkig te noemen. Daarmee draagt Waterparcs volgens de rechter ook de aansprakelijkheid voor het ongeval en dient zij, samen met haar verzekeraar, de letselschade van het slachtoffer te vergoeden.

Waarom is deze uitspraak interessant?

Allereerst is van belang dat bij opstalaansprakelijkheid sprake is van een zogenoemde risicoaansprakelijkheid. Als de opstal niet voldoet aan de redelijke veiligheidseisen, is de eigenaar in beginsel aansprakelijk, tenzij hij aannemelijk maakt dat sprake is van de in de wet geldende uitzonderingssituatie. Dat maakt de drempel om onder de aansprakelijkheid uit te komen hoger.

Verder werd in deze zaak een verdedigingsstrategie gebruikt die je vaker ziet bij letselschadezaken. Allereerst werd (zonder succes) de toedracht van het ongeval in twijfel getrokken. Daarnaast werd (ook zonder succes) de aansprakelijkheid doorgesluisd naar een andere partij, omdat er meerdere partijen in de keten betrokken zijn bij de verhuur.

In dit geval ging de rechter niet mee in beide verweren, omdat voldoende duidelijkheid bestond over de toedracht. Ook was volgens de rechter sprake van een verwaarloosde, verouderde trap, die daarmee gebrekkig is en waarvoor de bezitter in beginsel aansprakelijk is.  Ook werd de trap niet gebruikt ter uitoefening van een bedrijf, waarmee geen sprake was van de kwalitatieve aansprakelijkheid ex art. 6:181 BW.

Hulp nodig na een ongeval?

Bent u gewond geraakt door een val op een gebrekkige trap of als gevolg van een gebrekkig bouwwerk? Wij helpen u graag bij de beoordeling of u recht heeft op een schadevergoeding en wie daarvoor kan worden aangesproken.

Neem vrijblijvend contact op via ons contactformulier of bel ons direct.

Timothy Boerendonk
Gepubliceerd op 25 maart 2026 door: mr. T.H. (Timothy) Boerendonk