Een ontspannen boottocht over de Biesbosch gaat volledig mis. Een passagier breekt een ruggenwervel en kampt sindsdien met zenuwpijn. De verzekeraar erkent aansprakelijkheid voor de ontstane letselschade. Maar toch krijgt het slachtoffer lang niet alle letselschade vergoed. Hoe zit dat?
Op 2 juli 2016 maakt een man een boottocht mee op een Rigid Inflatable Boat (RIB). Zijn vriendin had de tocht gewonnen via een actie van Biesbosch Adventures (BBA). BBA had voor de tocht een boot en schipper ingeleend van een ander bedrijf, Euro Offshoreservices.
De zitplaats van de man is anders ingericht dan die van de andere passagiers. Zijn voeten rusten op een verhoogde ondergrond. En: er zit geen stalen beugel om zich aan vast te houden. Als de boot op hoge snelheid vaart, raakt hij los. Het slachtoffer valt en breekt een ruggenwervel. Na een operatie houdt hij zenuwpijn aan beide benen. Die pijn raakt zowel zijn werk als zijn privéleven. De passagier stelt BBA aansprakelijk voor de door hem geleden letselschade.
De verzekeraar van BBA, Nationale-Nederlanden (NN), erkent in oktober 2021 aansprakelijkheid. Op dat moment is duidelijk dat de aansprakelijkheidsverzekering per aanspraak tot € 2,5 miljoen dekt. Pas in mei 2023 doet NN een beroep op een wettelijke limiet, dit omdat sprake is van een vervoersovereenkomst. Volgens NN bedraagt de maximale schadevergoedingsplicht, gecorrigeerd voor inflatie, ongeveer € 225.000 in plaats van € 2,5 miljoen.
De man nam geen genoegen met dit standpunt. Zijn letselschade is immers veel hoger dan dat bedrag. Hij stapt naar de rechter en vordert dat NN de schade volledige vergoedt. Daarnaast vordert hij vergoeding van de door hem gemaakte juridische kosten (€ 38.840) en de verschuldigde wettelijke rente.
In Nederland geldt voor personenvervoer over binnenwateren een speciale regeling, die staat in boek 8 van het Burgerlijk Wetboek. Een vervoerder is volgens artikel 8:974 BW aansprakelijk voor schade veroorzaakt door dood of letsel van de reiziger, indien een voorval dat hiertoe leidde zich voordeed tijdens het vervoer en voor zover dit voorval is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder heeft kunnen vermijden of door een omstandigheid waarvan zulk een vervoerder de gevolgen heeft kunnen verhinderen. Tegenover deze ruime aansprakelijkheid staat echter dat op grond van artikel 8:983 BW de aansprakelijkheid van een vervoerder begrensd is. Die limiet staat in een besluit. Ten tijde van het ongeval beperkte dit besluit de aansprakelijkheid van de vervoerder tot € 137.000 per reiziger. Dit bedrag was sinds 1991 al niet meer gewijzigd. De Hoge Raad heeft in 2008 bepaald dat de rechter rekening mag houden met geldontwaarding. Dat brengt de limiet voor het jaar 2016 op ongeveer € 225.000 tot € 236.000.
Er zijn twee uitzonderingen op deze limiet. Ten eerste: bewuste roekeloosheid. Op grond van artikel 8:984 lid 1 BW vervalt de limiet als de vervoerder wist dat zijn gedraging grote kans op schade gaf en zich er toch niet door liet weerhouden. Ten tweede: de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. Een rechter kan de limiet in uitzonderlijke gevallen terzijde schuiven, als toepassing ervan onrechtvaardig zou zijn. De Hoge Raad is daar streng in. Dat kan alleen indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever.
Op 26 augustus 2026 deed de rechtbank Den Haag uitspraak in deze zaak. Onderstaand bespreek ik het oordeel van de rechter.
De passagier stelde dat BBA geen vervoerder is. BBA had de boot en schipper immers ingeleend. Maar de rechter oordeelt daar anders over. Bepalend is wie de contractuele verplichting aangaat om reizigers te vervoeren. Dat is BBA. Zij schreef de actie uit en verbond zich om de tocht uit te voeren. De wettelijke limiet is daarom van toepassing.
De passagier wees vervolgens op de gevaarlijke zitplaats en op het bekende risico op wervelletsel bij RIB-vaartuigen. De rechter oordeelt dat hij niet kan vaststellen dat de handelwijze van de betrokkene aan BBA kan worden toegerekend. Daarvoor is meer nodig dan het zijn van uiteindelijk belanghebbende. Van bewuste roekeloosheid is geen sprake.
De passagier stelde vervolgens dat NN haar recht had verspeeld om de limiet in te roepen. De erkenning van aansprakelijkheid en het schaderapport zouden bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt dat zijn schade volledig vergoed zou worden. De rechter volgt dat betoog niet. NN wist ten tijde van de erkenning nog niet dat de schade de limiet zou overschrijden. Die omvang werd pas duidelijk in november 2022. Vervolgens deed NN zes maanden later een beroep op de limiet. Dat tijdsverloop alleen is niet voldoende voor rechtsverwerking. Daar komt bij dat de man werd bijgestaan door een advocaat. Van een advocaat mag, zo overweegt de rechter, worden verwacht dat hij zijn cliënt informeert over het bestaan van een wettelijke limiet. Juist omdat die begeleiding er was, kon de man niet het gerechtvaardigd vertrouwen koesteren dat alle schade vergoed zou worden.
De passagier vond de limiet ook onredelijk. Hij wees op de ernst van zijn letsel, op het verwijt dat aan BBA kan worden gemaakt en op het feit dat hij al jaren wacht op een fatsoenlijke vergoeding. De rechter volgt hem ook hier niet. Zware letsels en lange afwikkelingen zijn precies de situaties waarvoor de wetgever de limiet heeft bedoeld. Die omstandigheden zijn dus al verdisconteerd. En het tijdsverloop alleen is onvoldoende, zeker nu niet is gebleken dat de lange duur aan NN te wijten is.
Dat betekent dat de limiet van toepassing is. De rechtbank overweegt echter dat de buitengerechtelijke kosten buiten de wettelijke limiet vallen. De buitengerechtelijke kosten vallen desalniettemin buiten de boot: de man onderbouwt die vordering onvoldoende. Ook de wettelijke rente komt boven de limiet voor vergoeding in aanmerking. Die rente vergoedt de schade door te late betaling. NN wordt veroordeeld om wettelijke rente te betalen over € 236.511,72 vanaf 20 oktober 2021.
Deze uitspraak maakt iets belangrijks duidelijk voor slachtoffers en hun belangenbehartigers. Een hoog schadebedrag staat niet gelijk aan een hoge schadevergoeding. De polis van BBA dekte tot € 2,5 miljoen per aanspraak. Toch ontvangt de man slechts zo’n € 236.000. Het vervoersrecht maakt hier het verschil. Daarbij zij opgemerkt dat het van belang is dat het een ongeval was in 2016. In 2022 is het besluit gewijzigd. Sindsdien is de aansprakelijkheid van de vervoerder gemaximeerd tot 400.000 rekeneenheden van het bijzondere trekkingsrecht, zoals dat is omschreven door het Internationaal Monetaire Fonds. Omgerekend naar euro’s is dat afhankelijk van de dagkoers circa € 337.993. Dat is in ieder geval fors meer het hier toegewezen bedrag, maar nog steeds kan dat fors minder zijn dan de werkelijke schade.
Als advocaat moet je bij dit soort zaken al vroeg nadenken over de juridische grondslag. Niet alleen over de aansprakelijkheidsvraag, maar ook over de vraag: geldt er een wettelijke limiet? De rechtbank benadrukt dat een advocaat zijn cliënt hoort te informeren over het bestaan van een wettelijke limiet. Juist als er een ontoereikende verzekerde som op de aansprakelijkheidsverzekering is of er een wettelijke limiet bestaat is het goed om dat direct te signaleren en daarnaar te handelen.
Hebt u letselschade opgelopen tijdens personenvervoer en zoekt u rechtshulp? Neem dan vrijblijvend contact met ons op!