Op 11 november 2025 deed het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uitspraak in een familiezaak, waarin een letselschadevergoeding een rol speelde. In deze uitspraak was een letselschadevergoeding van € 227.000, die de man tijdens het huwelijk ontving, onderwerp van discussie. Had de vrouw recht op de helft van de letselschadevergoeding? In deze blog bespreek ik de relevante feiten en het oordeel van het hof.
De man en de vrouw trouwden in 2018 en hebben samen twee minderjarige kinderen. Op 25 februari 2025 eindigde het huwelijk. De rechtbank stelde in 2024 een ouderschapsplan vast en bepaalde dat de man per maand € 330 aan kinderalimentatie moest betalen. Ook werd een zorgregeling vastgesteld.
De man was het niet eens met de hoogte van de kinderalimentatie. Hij ging in hoger beroep en verzocht het hof de kinderalimentatie te verlagen naar € 25 per kind per maand.
De vrouw stelde daarop incidenteel hoger beroep in. Zij verzocht het hof uit te spreken dat zij bij de afwikkeling van de echtscheiding (alsnog) recht had op de helft van de door haar ex-man ontvangen letselschadevergoeding. Daarnaast vroeg zij het hof de € 330 aan kinderalimentatie in stand te laten en een gewijzigde zorgregeling toe te wijzen.
Partijen waren het erover eens dat de man tijdens het huwelijk een letselschadevergoeding van € 227.000 had ontvangen. Zij verschilden van mening over de vraag of (en zo ja, welk deel van) dit bedrag aan de man was “verknocht”. Als de vergoeding verknocht is aan de man, valt dat namelijk buiten de gemeenschap van goederen. Schadevergoeding zoals smartengeld en vergoedingen voor persoonlijk geleden schade ná het huwelijk kunnen als verknocht worden aangemerkt en hoeven niet gedeeld te worden. Wel moet dan duidelijk zijn hoe die vergoeding is opgebouwd.
Het hof oordeelde dat de man niet had aangetoond welk deel van de vergoeding smartengeld betrof en welk deel zag op (toekomstige) schade geleden tijdens of ná het huwelijk. De man legde weliswaar e-mails van zijn letselschadeadvocaat met bijlagen over. Het hof oordeelde echter dat dit onvoldoende was. Daarom ging het hof ervan uit dat de volledige vergoeding in de gemeenschap van goederen viel. Het hele bedrag van € 227.000 kwam daardoor in aanmerking voor verdeling bij de echtscheiding.
Nu duidelijk was dat het totale bedrag in aanmerking kwam voor de verdeling, diende vastgesteld te worden welk deel van dat bedrag nog aanwezig was op de datum waarop het huwelijk werd beëindigd. Vaststond dat € 50.000 tijdens het huwelijk was besteed aan het levensonderhoud van het gezin. Ten aanzien van de rest van het bedrag stelde de man dat hij daar twee auto’s van had gekocht. Tijdens de zitting stelde hij echter dat die auto’s weer waren verkocht en dat hij het geld had gebruikt voor het opstarten van een eigen bedrijf. Volgens de vrouw bleek dat echter nergens uit.
Het hof gaf de vrouw gelijk. De man had geen stukken overgelegd waaruit bleek wat er met dat overige geld was gebeurd. Daarom mocht het hof ervan uitgaan dat de volledige € 177.000 op het moment van de scheiding nog aanwezig was. Dat bedrag moest dus worden verdeeld. De man moet daarom de helft van de resterende letselschadevergoeding, dus € 88.500, aan de vrouw betalen.
Ook voor het vaststellen van de kinderalimentatie acht het hof de letselschadevergoeding van belang. Het hof volgt de beslissing van de rechtbank, die eerder de behoefte van de kinderen vaststelde op basis van de in 2022 en 2023 ontvangen voorschotten op de letselschadevergoeding. Over de draagkracht dacht het hof echter anders. De rechtbank zag het niet-bestede deel van de letselschadevergoeding € 177.000 nog als een reserve die over meerdere jaren mocht worden ingezet bij de draagkracht van de man. Maar omdat dit bedrag volgens het hof tussen beide partijen moet worden verdeeld, is niet gebleken dat de letselschadevergoeding bij de draagkracht als inkomensbron kan worden meegeteld. Daarom laat het hof de letselschadevergoeding volledig buiten beschouwing bij zowel de man als de vrouw.
Volgens het hof had de man niet voldoende aangetoond waar de door hem ontvangen letselschadevergoeding op zag. Daarmee acht het hof die vergoeding niet als verknocht en kwam deze voor verdeling in aanmerking. De man moest de vrouw daarom € 88.500 betalen. Voor het vaststellen van de kinderalimentatie volgde het hof grotendeels het oordeel van de rechtbank, maar liet de schadevergoeding buiten beschouwing bij het bepalen van de draagkracht.
Deze uitspraak laat zien hoe belangrijk het is om de opbouw van een letselschadevergoeding goed vast te leggen. Helemaal indien men in gemeenschap van goederen is getrouwd en mogelijk met een echtscheiding wordt geconfronteerd. Wie letselschade oploopt en gehuwd is, krijgt dan immers niet alleen te maken met de gevolgen van het ongeval, maar ook met de juridische vraag wat er met die vergoeding gebeurt bij een echtscheiding.
Als iemand bij een scheiding niet aantoont welk deel van de letselschadevergoeding verknocht is, dan loopt men het risico dat de volledige vergoeding in de gemeenschap valt. Ook laat het zien dat de letselschadevergoeding van belang kan zijn bij het vaststellen van de alimentatie. Daarom is het van belang dat bij de begroting van de letselschade goed wordt vastgelegd hoe de schade is berekend. Zeker als er in de toekomst te lijden schade is. Als dat niet goed is vastgelegd en de benadeelde niet kan aantonen welk deel van de letselschadevergoeding bedoeld is voor bijvoorbeeld in de toekomst te maken zorgkosten, dan kan het zijn dat de benadeelde op enig moment zijn zorgkosten niet meer kan betalen. Dit met alle gevolgen van dien.
Het is, zowel bij een letselschade als bij een echtscheiding, van belang dat u wordt bijgestaan door een gespecialiseerde advocaat. Binnen ons kantoor werken gespecialiseerde letselschade- en familierechtadvocaten zo nodig intensief samen om voor u een zo goed mogelijk resultaat te bereiken. Hebt u hulp nodig? Neem dan gerust contact met ons op!