Op woensdag 22 juli 2026 botsten in Rotterdam twee trams op elkaar op de Erasmusbrug. Het was een harde klap met ingrijpende gevolgen. Vijftien mensen raakten gewond door dit tramongeval, van wie één zwaargewond. Vijf slachtoffers werden naar het ziekenhuis gebracht. De voorkant van de achterste tram boorde zich volledig in het voertuig ervoor. Inzittenden spraken van een gigantische dreun. De brandweer moest minstens één persoon na beknelling bevrijden.
Begrijpelijk dat slachtoffers en hun naasten zich afvragen: wie draait op voor de schade door het tramongeval? En welke rechten hebben zij? Hieronder lees je wat er precies speelde, wat de wet zegt over de aansprakelijkheid van een openbaarvervoerbedrijf en wat dit voor u als slachtoffer van een tramongeval betekent.
Een tram van de RET (Rotterdamse Elektrische Tram) stond stil op de Erasmusbrug, omdat de brug geopend was voor een passerend schip. Een tweede tram, rijdend in dezelfde richting, naderde en botste met volle snelheid op de stilstaande tram. Een van de inzittenden, Milaisa, zag de tram al aankomen: ‘Hij ging veel te hard. De man die voor mij zat raakte zwaargewond. Het was verschrikkelijk’. Conducteur Suri in de achterste tram stond na de klap nog helemaal te trillen op zijn benen. ‘Het was totaal onverwacht. We reden toen de tram daarvoor opeens stil bleek te staan’, zo was te lezen op AD.nl.
De RET liet weten geschrokken te zijn en onderzoek te doen naar de oorzaak van het tramongeval. De Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) startte direct een verkennend onderzoek naar mogelijke technische of menselijke oorzaken. Of de oorzaak technisch of menselijk is, was op het moment van schrijven nog niet bekend.
Voor reizigers in het openbaar tramvervoer geldt een bijzondere wettelijke bescherming bij een tramongeval. Die is vastgelegd in artikel 8:105 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit artikel bepaalt dat de vervoerder aansprakelijk is voor schade die het gevolg is van dood of letsel van een reiziger, als dat letsel is opgelopen in verband met en tijdens het vervoer. Dat betekent: van instap tot uitstap is de RET als vervoerder verantwoordelijk.
Dit is een aansprakelijkheid buiten schuld. De reiziger hoeft niet te bewijzen dat de RET iets fout heeft gedaan. Het is voldoende dat het letsel door een ‘ongeval in verband met het vervoer’ is veroorzaakt. Bovendien is art. 8:105 BW dwingend recht: de RET kan haar aansprakelijkheid contractueel niet uitsluiten of beperken.
Toch verschilt de juridische positie van de passagiers naargelang zij in de eerste of in de tweede tram zaten. Dat onderscheid is juridisch relevanter dan het op het eerste gezicht lijkt.
De inzittenden van de achterste tram, de tram die opreed, kunnen de RET aanspreken als hun eigen vervoerder op grond van art. 8:105 BW. Het rijden van de tram valt onder de uitvoering van de vervoersovereenkomst; het letsel dat zij opliepen is onlosmakelijk verbonden met het vervoer. Zij hoeven slechts aan te tonen dat het letsel tijdens het vervoer is opgetreden. Dat is in dit geval voor de meeste slachtoffers voor de hand liggend.
De RET kan proberen te ontsnappen aan aansprakelijkheid via een beroep op overmacht, maar de lat ligt hoog. Een interne oorzaak, zoals een fout van de bestuurder of een technisch defect aan het voertuig, biedt doorgaans geen basis voor een geslaagd overmachtsverweer. Overmacht slaagt pas als de oorzaak volledig buiten de invloedssfeer van de vervoerder lag, zoals een steen die van een viaduct wordt geworpen waardoor de bestuurder door schrik een verkeerde manoeuvre maakt. Een situatie als de Erasmusbrug, waarbij de tram op volle snelheid op een stilstaande tram botst, wijst eerder in de richting van een menselijke of technische oorzaak.

Ten eerste kunnen zij de RET aanspreken als hun eigen vervoerder op grond van art. 8:105 BW, net als de passagiers in de tweede tram. De RET is ook hun vervoerder en het letsel is opgelopen tijdens het vervoer.
Ten tweede kunnen zij de RET aanspreken als werkgever van de bestuurder van de achterste tram, op grond van artikel 6:170 BW. Dit artikel regelt de risicoaansprakelijkheid van de werkgever voor fouten van zijn ondergeschikten. Als de bestuurder van de tweede tram een fout heeft gemaakt, in de uitoefening van zijn werkzaamheden als trambestuurder in dienst van de RET, is de RET als werkgever daarvoor rechtstreeks aansprakelijk jegens de gedupeerde passagiers. Het gaat dan om een schuldloze aansprakelijkheid van de werkgever voor een gedraging van een werknemer die hem rechtstreeks kan worden toegerekend. De keuze voor de grondslag heeft gevolgen voor de bewijslastverdeling, maar de grondslagen sluiten elkaar niet uit.
Ten derde kunnen passagiers in de eerste tram de bestuurder van de achterste tram persoonlijk aanspreken op grond van artikel 6:162 BW, de algemene onrechtmatige daad. Als de bestuurder heeft nagelaten voldoende te remmen, de voorligger niet tijdig heeft opgemerkt of anderszins onzorgvuldig heeft gereden, handelde hij in strijd met de in het maatschappelijk verkeer geldende zorgvuldigheidsnorm. In de praktijk zal een vordering op de persoonlijke bestuurder om vermogenspraktische redenen minder aantrekkelijk zijn, omdat de verhaalswaarde bij een individuele werknemer doorgaans beperkter is dan bij de RET als organisatie. De route via art. 6:170 BW, waarbij de RET als werkgever aansprakelijk wordt gesteld voor precies diezelfde fout van de bestuurder, biedt veelal een sterkere positie.
Deze meervoudige grondslagen versterken de positie van passagiers in de eerste tram aanzienlijk. Zij kunnen voor dezelfde schade meerdere partijen aanspreken, waarbij de grondslagen onderling kunnen verschillen in bewijslastverdeling en draagwijdte.
Was u als voorbijganger, fietser of automobilist aanwezig op of nabij de Erasmusbrug en heeft u daardoor schade geleden? Dan valt u buiten de vervoerdersaansprakelijkheid van art. 8:105 BW. Uw vordering wordt beoordeeld op grond van de onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). U moet dan aantonen dat de RET onzorgvuldig heeft gehandeld en dat dit handelen uw schade heeft veroorzaakt. Naast de RET zelf kunt u ook de RET als werkgever van de betrokken bestuurder aanspreken op grond van art. 6:170 BW.
Als de aansprakelijkheid eenmaal is vastgesteld, gaat de aandacht naar de omvang van uw schade. De schade wordt bepaald aan de hand van de wettelijke schadevergoedingsbepalingen van art. 6:95 BW en verder. In een letselschadezaak na een tramongeval kan de vergoeding bestaan uit:
De hoogte kan sterk uiteenlopen. Zeker als het letsel ernstig en blijvend is, kunnen de bedragen fors oplopen. Een nauwkeurige en volledig onderbouwde schadeopstelling is dan ook essentieel.
Bent u slachtoffer geworden van het tramongeval op de Erasmusbrug, of heeft u letsel opgelopen bij een ander tramongeval? Een tramongeval kan ingrijpende gevolgen hebben voor uw gezondheid, uw werk en uw dagelijks leven. Welke tram u ook inzat, en op welke grondslag u uw vordering ook baseert: het is belangrijk dat u uw rechten kent en uw schade volledig vergoed krijgt. Het is daarom van belang dat u zich laat bijstaan door een kundige belangenbehartiger.
Wij staan u graag bij in het schaderegelingstraject. Neem vrijblijvend contact met ons op. In een kosteloos kennismakingsgesprek bespreken wij uw situatie en bekijken we samen wat uw mogelijkheden zijn.