Werkgeversaansprakelijkheid blijft soms lastig te aanvaarden

Geplaatst op 28 mei 2022 door mr. E.W. (Edwin) Bosch

In maart 2022 kwam het Hof Den Bosch te oordelen over de aansprakelijkheid voor letselschade bij een ingeleende werknemer. Dit arrest laat goed zien waar de discussies bij werkgeversaansprakelijkheid vaak zitten. Dat is enerzijds de toedracht; wie moet bewijzen wat er precies is gebeurd? Anderzijds is dat het verweer van de werkgever dat een bepaald activiteit een huis-tuin-en-keuken ongeval is. Aan de hand van de uitspraak van het hof zal ik onderstaand ingaan op deze1a beide punten. Andere geschilpunten in deze zaak laat ik om die reden buiten beschouwing.

Wat speelde er? Een arbeidsongeval

ArbeidsongevalEen uitzendkracht, geboren in 1969, werkt als uitzendkracht in het bedrijf van de werkgever. Werkgever is een industriële organisatie, die zich bezighoudt met het realiseren van installaties, machines en turn-key projecten. Op 28 juni 2016 kreeg de uitzendkracht opdracht om een dunne stalen plaat in de daarvoor bestemde afvalcontainer te deponeren. Bij het uitvoeren van deze opdracht is de uitzendkracht gevallen. Hierdoor brak de uitzendkracht zijn been. De werkgever maakte geen ongevalsrapportage op en wijst bovendien iedere aansprakelijkheid van de hand.

Het oordeel van de kantonrechter over het arbeidsongeval

Aangezien het een arbeidsongeval betreft is de kantonrechter de bevoegde rechter in eerste aanleg. De kantonrechter oordeelde dat vaststond dat de uitzendkracht het letsel aan zijn been opliep toen hij werkzaamheden uitvoerde voor de werkgever. Daarmee is de aansprakelijkheid van de werkgever op grond van art. 7:658 BW gegeven, tenzij de werkgever aantoont dat zij zich van haar zorgplicht heeft gekweten, dan wel dat er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid bij de uitzendkracht. Vervolgens oordeelt de kantonrechter dat de toedracht van het voorval niet is komen vast te staan. Voorts overweegt de kantonrechter dat niet is gebleken de uitzendkracht voldoende is geïnstrueerd over de wijze waarop hij omvangrijke en zware voorwerpen in de container moest deponeren. Als laatste oordeelt de kantonrechter dat de werkgever niet heeft aangetoond dat zaij zich van haar zorgplicht had gekweten. Daarmee is de aansprakelijkheid van de werkgever gegeven.

De werkgever gaat in hoger beroep

De werkgever laat het er niet bij zitten. Zij gaat in hoger beroep bij het hof. In het hoger beroep formuleert de werkgever vijf grieven tegen het vonnis van de kantonrechter. Twee daarvan zien op de toedracht. Een op de omvang en het gewicht van de stalen plaat. De laatste twee zien op de vraag of voldaan is aan de zorgplicht.

De werkgever betoogt in hoger beroep onder meer dat het bewijs van de toedracht niet bij haar ligt. Volgens de werkgever hoort die bij de uitzendkracht te liggen. Vervolgens betoogt de werkgever dat de uitzendkracht niet is geslaagd in dit bewijs. Daarom ligt kort gezegd diens vordering voor afwijzen gereed.

In de grief die ziet op de zorgplicht betoogt de werkgever onder meer dat zij niet stelt dat er sprake is van een huis- tuin en keukenongeval. De werkgever stelt echter dat de uitzendkracht ook in zijn eigen woning had kunnen besluiten om tegen een hard object aan te springen om iets te pakken dat op hoogte ligt. Oftewel, de werkgever stelt niet te stellen dat het een huis- tuin en keukenongeval is, maar doet dit feitelijk wel. Volgt u het nog?

Hoe oordeelt het hof over het arbeidsongeval?

Het hof passeert de grieven en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.

Over de grieven die zien op de toedracht…

Het hof stelt voorop dat voor de stelplicht en bewijslastverdeling bij aansprakelijkheid op grond van art. 7:658 BW geldt:

“(i) De werknemer dient te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden. In het algemeen zal daartoe voldoende zijn dat komt vast te staan dat het ongeval hem is overkomen op de werkplek, waarbij het begrip werkplek ruim mag worden genomen. De juiste, exacte toedracht van het ongeval hoeft hij daarbij niet te stellen.

(ii) Indien komt vast te staan dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden, is de werkgever in beginsel aansprakelijk, tenzij hij aantoont dat hij niet is tekortgeschoten in zijn zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW. Hiervoor behoeft niet vast te staan aan welke oorzaak het ongeval van de werknemer is te wijten. Staat die toedracht vast, dan kan de werkgever volstaan met aan te tonen dat hij heeft voldaan aan alle op hem rustende verplichtingen teneinde dit specifieke ongeval te voorkomen. Onduidelijkheid omtrent de toedracht van het ongeval betekent derhalve een ruimere bewijslast voor de werkgever.

(iii) Slaagt de werkgever niet erin het bewijs te leveren dat hij aan zijn zorgverplichting heeft voldaan, dan is het causaal verband tussen zijn tekortkoming en het ongeval gegeven. Hij kan dan evenwel nog aan aansprakelijkheid ontkomen, indien hij stelt en bewijst dat nakoming van zijn zorgplicht het ongeval niet zou hebben voorkomen. Ook op dit punt is de toedracht van het ongeval van belang, omdat ook hier geldt dat de omstandigheid dat hieromtrent onduidelijkheid bestaat, een ruimere bewijslast voor de werkgever meebrengt. Welke veiligheidsmaatregelen van de werkgever mogen worden verlangd en op welke wijze hij de werknemer moet instrueren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.”

Vervolgens overweegt het hof:

“Deze verdeling van stelplicht en bewijslast kent als achtergrond dat […], niet ook van hem mag worden verlangd dat hij aantoont wat nu precies de toedracht of oorzaak is geweest…”.

Het hof bespreekt hierna alle bewijsmiddelen. Daarna concludeert het hof dat de (precieze) toedracht van het ongeval niet vaststaat. Dat brengt met zich dat in beginsel uitgegaan moet worden van een ruimere bewijslast van de werkgever. Daarom slagen de grieven van de werkgever ten aanzien van de toedracht niet.

Over de grieven die zien op het huis-tuin-en-keuken-argument…

Ook de grieven die zien op de omvang van de zorgplicht kunnen niet op instemming rekenen. Het hof overweegt:

“Anders dan [werkgever] betoogt, ziet het hof de opgedragen werkzaamheden ook niet als van dien aard dat deze werkzaamheden bij eenieder in het dagelijks leven kunnen voorkomen […]. Het is geen onderdeel van het dagelijks leven om afval met deze afmetingen en gewicht ver boven iemands hoofd (ter hoogte van minimaal twee meter) in een container te gooien. Dat is de toetssteen en niet of iemand – zoals [werkgever] stelt – in het dagelijks leven met een aanloop tegen een hoge kast zou springen.

Het hof deelt dan ook de opvatting van de kantonrechter dat het niet zonder meer voor zich spreekt op welke wijze relatief omvangrijke voorwerpen op een veilige wijze in de container kunnen worden gedeponeerd, aangezien de opening van de container zich aan de bovenzijde ervan bevindt en de container ten minste twee meter hoog is waarbij vaststaat dat het om een langwerpige, (roestvrij) stalen plaat van tenminste 1.70 meter lang en met een gewicht van ten minste 8,8 kg gaat, derhalve niet over een klein voorwerp […]. [werkgever] had hiervoor instructies moeten geven aan [uitzendkracht] en niet is gesteld of gebleken dat [appellante] dat heeft gedaan.”

Is het oordeel van het hof bijzonder?

In sommige gevallen vraag ik me weleens af waarom partijen bepaalde stellingen innemen in een procedure. De hier behandelende stellingen vallen daaronder. Over de hiervoor besproken onderdelen van de rechtsstrijd  zijn al veel uitspraken gedaan door rechters. Ook door onze hoogste rechter: de Hoge Raad.

Bewijslastverdeling

De vraag wie de bewijslast draagt van de toedracht is van belang. Immers degene die de bewijslast draagt heeft ook het bewijsrisico. Dat is het risico dat men het bewijs niet kan leveren. Veelal leidt dat er dan toe dat de vordering wordt afgewezen. In het kader van de werkgeversaansprakelijkheid van art. 7:658 BW geldt echter een omgekeerde bewijslast.

De Hoge Raad: Fransen/ Pasteur Ziekenhuis

De Hoge Raad oordeelde in 1999 al in het Fransen/Pasteur ziekenhuis-arrest (ECLI:NL:HR:1999:AA3837):

“Nu Fransen de schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden, brengt het bepaalde in art. 7: 658 lid 2 mee dat, […], het ziekenhuis aansprakelijk is voor de door Fransen ten gevolge van haar val geleden schade, tenzij het aantoont dat het de in lid 1 van dat artikel genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van Fransen. Hiervoor behoeft niet vast te staan aan welke oorzaak het ongeval van Fransen te wijten is.

Die oorzaak is wel in zoverre van belang, dat het ziekenhuis zal kunnen volstaan met aan te tonen hetzij dat het heeft voldaan aan alle verplichtingen die ingevolge lid 1 op hem rustten teneinde een ongeval zoals dat aan Fransen is overkomen, te voorkomen, hetzij dat nakoming van die verplichtingen het ongeval niet zou hebben voorkomen.” [onderstreping: EB]

De Hoge Raad: Bloemsm/Hattuma-arrest

Dit oordeel herhaalde de Hoge Raad in 2001 in het Bloemsma/Hattuma-arrest, waarin de Hoge Raad oordeelde:

“De werknemer die op grond van art. 7:658 lid 2 BW schadevergoeding vordert, zal dienen te stellen en zo nodig bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor de werkgever […]. Daarbij geldt dat niet van de werknemer kan worden verlangd dat hij ook aantoont hoe het ongeval zich heeft toegedragen of wat de oorzaak ervan is.” [onderstreping: EB].

Na van deze uitspraken van de Hoge Raad zijn een groot uitspraken gewezen die in lijn zijn met deze uitspraken. Bij deze stand van zaken kon het hof niet anders dan beslissen zoals het hof dit uiteindelijk deed. De werkgever die betoogt dat het de werknemer is die de bewijslast draagt van de toedracht kent het geldende recht niet. Of hij probeerde dit geldende recht op een niet al te overtuigende wijze te veranderen.

Huis-, tuin- en keukenongevallen

Ook ten aanzien van de huis- tuin- en keukenongevallen verbaast het oordeel van het hof geenszins. Hiervan is sprake wanneer zich de werkzaamheden ook bij eenieder in het dagelijks leven kunnen voorkomen. Nogal eens stelt een werkgever dat dan geen zorgplicht geldt. Die stelling vindt echter geen steun in het recht. Het is meer dat – omdat het om een huis- tuin- en keukenongeval gaat – al snel aan de zorgplicht is voldaan. Zo zal wordt niet van de werkgever verwacht dat hij in zo’n geval specifieke instructies geeft of toezicht houdt.

De advocaat-generaal over huis, tuin en keukenongevallen

Punt van aandacht is echter dat niet te snel mag worden aangenomen dat er sprake is van een huis- tuin- en keukenongeval. Advocaat-Generaal Spier schreef hierover in zijn conclusie voor HR 9 juli 2004, NJ 2005, 260 (Oost/Brands) (uitglijden op bouwplaats):

“Een waarschuwing mag achterwege blijven ten aanzien van gevaren die niet afwijken van die waarmee men in het leven van alledag met regelmaat wordt geconfronteerd.”

Een beroep op deze categorie behoort dan ook alleen te slagen als de schadeveroorzakende bezigheid in niets afwijkt van hetgeen men in de privésituatie zou doen. Daarop loopt het verweer van de werkgever in deze zaak dan ook stuk, aangezien het hof oordeelt:

“Het is geen onderdeel van het dagelijks leven om afval met deze afmetingen en gewicht ver boven iemands hoofd (ter hoogte van minimaal twee meter) in een container te gooien.”

Al met al is er aldus sprake van een weinig aansprekend hoger beroep door de werkgever. Het is dan terecht is dat het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigt.

Vragen?

Hebt u vragen over werkgeversaansprakelijkheid of bent u als werknemer zelf gewond geraakt door een arbeidsongeval en wilt u uw letselschade verhalen neem dan geheel vrijblijvend contact met ons op!

Gepubliceerd op 28 mei 2022 door: mr. E.W. (Edwin) Bosch