De rechtspraak heeft aanbevelingen voor de begroting van smartengeld vastgesteld. Deze gaan gelden vanaf 1 januari 2026 en hebben als doel om meer duidelijkheid, voorspelbaarheid en rechtseenheid te brengen bij het vaststellen van vergoedingen voor immateriële schade. Voor slachtoffers van ongevallen en geweld kan dit grote gevolgen hebben.
Smartengeld is een vergoeding voor immateriële schade: pijn, verdriet, angst en verlies aan levensvreugde. Anders dan bij medische kosten of inkomensschade gaat het hierbij niet om concrete rekeningen, maar om het leed dat iemand ervaart door letsel of een ernstige normschending.
Juist omdat dit leed moeilijk in geld is uit te drukken, verschillen smartengeldbedragen in de praktijk soms sterk. De nieuwe aanbevelingen proberen daar meer lijn in te brengen.
Centraal in de aanbevelingen staat de Rotterdamse schaal. Dit is een model waarin letsel en normschendingen zijn ingedeeld naar aard en ernst, met per categorie een bandbreedte van smartengeldbedragen. De rechter kiest binnen – of soms buiten – die bandbreedte het bedrag dat in het concrete geval passend is.
De aanbeveling luidt dat rechters de Rotterdamse schaal voortaan als eerste uitgangspunt gebruiken. Afwijken mag, maar vraagt wel om een duidelijke motivering. Daarmee ontstaat meer transparantie voor slachtoffers: zij krijgen beter inzicht in wat zij redelijkerwijs mogen verwachten.
Een belangrijke vernieuwing is de expliciete leeftijdscorrectie bij blijvend letsel. De gedachte hierachter is eenvoudig: hoe jonger het slachtoffer, hoe langer hij of zij met de gevolgen van het letsel moet leven.
De aanbevelingen bepalen daarom:
+25% smartengeld voor kinderen tot en met 14 jaar;
+15% smartengeld voor jongeren en jongvolwassenen van 15 tot en met 29 jaar.
Deze verhoging komt bovenop het bedrag dat volgens de Rotterdamse schaal wordt vastgesteld. De bovengrens van de bandbreedte vormt daarbij geen absolute limiet.
Ook de mate van verwijtbaarheid speelt voortaan een duidelijkere rol. Als letsel is veroorzaakt door ernstig verwijtbaar gedrag of opzet, kan het smartengeld worden verhoogd met 10 tot 25%. De hoogste opslag is gereserveerd voor uiterst verwijtbare gedragingen, zoals opzettelijk toegebracht letsel.
Bij risicoaansprakelijkheid (aansprakelijkheid zonder schuld) vindt deze verhoging juist niet plaats. De aanbevelingen maken hiermee expliciet onderscheid tussen “neutraal” letsel en letsel dat met opzet of grove schuld is veroorzaakt.
Meervoudig letsel: hoe wordt dat berekend?Veel slachtoffers hebben niet één, maar meerdere letsels door hetgeen hen overkomen is. De rechtspraak introduceert hiervoor een praktisch cumulatiemodel:
het zwaarste letsel telt volledig mee;
het tweede letsel telt voor 50% mee;
eventuele verdere letsels wegen niet afzonderlijk mee, maar kunnen wel worden betrokken bij de beoordeling.
Dit voorkomt dat optelling van afzonderlijke bedragen leidt tot onevenredig hoge of juist te lage vergoedingen.
Tot slot maken de aanbevelingen duidelijk onderscheid naar de duur van het letsel:
kortdurend letsel: herstel binnen zes maanden;
langdurig letsel: herstel binnen twee jaar;
blijvend letsel: klachten of beperkingen die na twee jaar nog bestaan.
Deze indeling helpt om discussies te voorkomen en maakt de beoordeling overzichtelijker, ook wanneer nog geen definitieve medische eindtoestand is bereikt.
De aanbevelingen zijn niet bindend, maar geven wel duidelijke richting aan de rechtspraak. Voor slachtoffers betekent dit:
meer voorspelbaarheid;
betere uitlegbaarheid van smartengeldbedragen;
explicietere aandacht voor leeftijd, verwijtbaarheid en duur van het letsel.
Vanaf 2026 zullen deze uitgangspunten steeds vaker terug te zien zijn in rechterlijke uitspraken en buitengerechtelijke onderhandelingen.
Heeft u vragen over smartengeld of wilt u weten wat deze ontwikkelingen betekenen voor uw situatie? Onze letselschadeadvocaten leggen het u graag uit en beoordelen uw zaak. Neem daarvoor geheel vrijblijvend contact met ons op.